Binnen de grenzen van het Nationaal Landschap (NL) Veluwe worden hoge eisen gesteld aan het beheer van bos- en natuurterreinen. Veluwe 2010 werkt momenteel aan nieuwe kwaliteitsimpulsen door middel van extra investeringen ten bate van vooral de toeristisch-recreatieve infrastructuur en de natuurkwaliteiten.

Van de terreinbeheerders worden in samenhang daarmee extra inspanningen verwacht teneinde te voldoen aan de hoog gestelde aspiraties van zowel overheden (Provincie en Gemeenten), de recreanten en toeristen alsook van het particuliere bedrijfsleven. Wil het Nationaal Landschap Veluwe zich blijvend onderscheiden van andere natuurgebieden dan zal men op eigen initiatief en kracht de gevraagde toegevoegde waarde in het (toekomstig) beheer moeten kunnen definiëren en waarderen.

Deze materie is het onderwerp van studie in het project ‘Kwaliteitsimpuls voor bos- en natuurbeheer Nationaal Landschap Veluwe’. Dit project is gericht op het tot stand brengen van nieuwe samenwerkingsvormen en daaraan gekoppelde additionele financiering ten bate van lokale- en regionale kwaliteitsimpulsen voor het beheer van bos en natuur binnen het NL Veluwe.

Het project richt zich grofweg op drie onderwerpen, namelijk:

  1. Er wordt momenteel nog te weinig rekening gehouden binnen Veluwe 2010 met de consequenties voor het (toekomstig) beheer van de (majeure) investeringen op het gebied van natuur en recreatie. De projecten die gesubsidieerd worden vanuit Veluwe 2010 worden binnen dit project daarom geëvalueerd op het beheersaspect (‘beheerstoets’). De centrale vaag hierbij is: Is er bij het project rekening gehouden met de beheerskosten op lange termijn?
  2. De beheerders leveren grotendeels diensten op niet-economische basis tegen een (beperkte) standaardvergoeding vanuit overwegend collectieve voorzieningen. Er is nauwelijks geldelijke waardering voor extra inspanningen en verhoogde kwaliteit. Daarom richt dit onderdeel zich op het in de praktijk uitwerken van het concept van ‘groene diensten’ in de vorm van 5 cases. De centrale vraag hierbij is: Hoe kunnen beheerders hun additionele beheer gefinancierd krijgen?
  3. Door middel van 8 detailstudies zullen de reguliere cq normale beheerskosten en -vergoedingen worden geanalyseerd en vergeleken met (al dan niet hypothetische) situaties waar toegevoegde waarde wordt gevraagd. Deze studies hebben betrekking op de verschillende terreinbeherende instanties en spelen in op relevante thema’s en projecten.

 

Informatie

uitvoerder(s): Patrick Jansen en Jan Oldenburger
opdrachtgever(s): Gelders Particulier grondbezit
periode van uitvoering: 2004 - 2005

Tags